Hoelang nog zal België de arbeiders benadelen?

De Standaard       Column De Bomen en het Bos       9 januari 2019

http://www.standaard.be/cnt/dmf20190108_04086977

De Belgische sociale partners hebben eind 2018 niet het beloofde stappenplan afgeleverd om de bena­deling van arbeiders tegenover bedienden weg te werken.

Hoezo, het onderscheid tussen arbeiders en bedienden was toch weggewerkt? In 2013 is er toch een akkoord gesloten? In 2016 is daarover toch een wet goedgekeurd? Dat klopt, maar het was maar half werk. In 2013 is alleen een regeling getroffen voor de opzegtermijnen en de onbetaalde eerste dag ziekte, de carensdag. De rest zouden de sociale partners ‘later’ regelen. Tegen eind 2018 zouden ze een ‘stappenplan opstellen’. Maar 2018 is voorbij en dat is nog niet gebeurd. België is daardoor zowat het laatste land in Europa dat nog een onderscheid maakt tussen arbeiders en bedienden en dat die eerste groep nog altijd een slechter statuut geeft dan de tweede. Arbeiders zijn volgens de Belgische wet mensen die met hun handen werken en hun hoofd nauwelijks nodig hebben. Bedienden zijn ‘hoofdarbeiders’ en krijgen een betere behandeling.

Het onderscheid tussen hoofd- en handenarbeid is al vijftig jaar achterhaald. Handenarbeid die geen nadenken vergt, is er niet meer. De meeste landen schrapten dat onderscheid in hun wetgeving tussen 1960 en 1980. België nog niet.

Het onderscheid tussen hoofd- en handenarbeid

is niet meer relevant. Sinds 50 jaar is er

geen handenarbeid meer zonder hoofdarbeid.

Net als in Duitsland, enkele jaren eerder, kwam het Grondwettelijk Hof tussenbeide op 8 juli 1993. Het hoogste gerechtshof zei dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden op niets meer berustte en dat de benadeling van de arbeiders dus ook niet meer verantwoord was. Discriminatie, strijdig met de Grondwet, luidde het.

Het Hof was naïef. Het dacht dat de sociale partners en de regering, zoals in Duitsland, genoeg respect zouden hebben voor zijn arrest om dat ook uit te voeren. Mis poes. In 2011 werd het Hof boos om zoveel immobilisme. Het gaf de regering en de sociale partners op 7 juli, achttien jaar na het eerste arrest, nog twee jaar om de zaak op te lossen.

Enkele weken voor 7 juli 2013 stonden de sociale partners nog nergens. Federaal minister van Werk, Monica De Coninck (SP.A), bracht hen na harde gesprekken precies op 7 juli 2013 tot een akkoord over twee knelpunten: de afschaffing van de carensdag voor arbeiders en een geleidelijke gelijk­making van de opzegtermijnen. ‘De rest’ zouden ze ‘later’ regelen: vóór eind 2018 zou er een stappenplan op tafel liggen. Dat ligt er dus niet. De sociale partners zijn in de Nationale Arbeidsraad nog altijd bezig aan het eerste punt ervan: de pensioenen.

Acht knelpunten resten nog

Wat is er nog te regelen? Vijf formele zaken: de grote verschillen in de aanvullende bedrijfs- en sectorpensioenen, het bedrag en de betaling van het vakantiegeld, het tijdstip van de uitbetaling van de lonen (per maand of per week), het gewaarborgd loon bij ziekte (bedienden: een hele maand, arbeiders een week en daarna een kleiner percentage van het loon) en de tijdelijke werkloosheid.

Daarnaast zijn er drie belangrijke feitelijke verschillen. De lonen van arbeiders zijn doorgaans lager, hoewel hun job vaak ingewikkelder is. Arbeidersjobs zijn saaier en uitputtender; werkgevers spannen zich minder in voor de kwaliteit van arbeidersjobs. Ten derde krijgen arbeiders nauwelijks kansen om op te klimmen in hun bedrijf en door te stoten naar bediendenjobs. Voor bediendenjobs rekruteren bedrijven extern.

Wat maakt dit zo moeilijk? Veranderingen botsen op regelingen die vakbonden en werkgevers vroeger hebben afgesproken, en ze vinden bijna alles wat ze vroeger hebben afgesproken, niet veranderbaar. Ze rijden zichzelf vast.

Een voorbeeld. De indeling in paritaire comités is nog steeds gestoeld op de naoorlogse toestand. De personeelsleden (arbeiders of bedienden) van een bedrijf vallen daardoor vaak onder drie of meer paritaire comités die elk verschillende afspraken hebben over die pensioenen. Hoe kun je dan in één bedrijf een gelijkwaardige pen­sioenregeling maken voor arbeiders en bedienden? Aan de achterhaalde indeling in paritaire comités willen de partners niet raken.

Wie lost op?

De nieuwe federale regering?

Of de arbeiders zelf met de

hulp van de rechtbank?

Hoe kun je dit oplossen? De nieuwe federale regering die tot stand komt na de verkiezingen van mei, moet in haar regeerverklaring melden dat ze het probleem zelf zal oplossen als de sociale partners het niet kunnen. Maar ook dat geeft geen zekerheid.

Misschien moeten de arbeiders het zelf regelen. Arbeiders die naar de arbeidsrechtbank trekken en bewijzen dat ze vooral hoofdarbeid verrichten, krijgen geregeld een bediendenstatuut toegekend. Dat gebeurde in maart vorig jaar nog met niet minder dan 180 ex-arbeiders van Ford Genk die bewezen dat ze bij de voorbereiding van de sluiting van de fabriek, overwegend hoofdarbeid geleverd hadden.

De rechtbank gaf hun met terugwerkende kracht een bediendenstatuut (DS 7 maart 2018). Ford moest betalen. Om de een of andere reden geven de vakbonden daar weinig ruchtbaarheid aan.