Goede bestuursmanieren gewenst

Column ‘De Bomen en het Bos’,

verschenen in De Standaard van 23/1/2018 :

 

http://www.standaard.be/cnt/dmf20190122_04123814

 

 

 

Wat ik de afgelopen regeerperiode federaal het meest heb gemist, zijn goede bestuursmanieren. Of op zijn minst de ambitie om beter te besturen en te beslissen. Waarom had ik van deze coalitie beter verwacht? Elk van de vier partijen zette zich in het verleden vaak af tegen slechte bestuursgewoonten. Ze associeerden die met de PS. De afwezigheid van die partij was de lijm die deze coalitie bij elkaar hield. Bovendien luidde het vaak dat het samenvallen van bijna alle verkiezingen hun de kans gaf drie tot vier jaar niet aan verkiezingen te moeten denken. Dat maakte langetermijnbeleid mogelijk en ingrijpende en samenhangende hervormingen. Het algemeen belang kon een aantal jaren primeren op het partijbelang.

Dat bleek één grote misrekening. Vanaf dag één was de federale regering een kibbelkabinet. Dat ze met ‘gelijkgestemden’ – rechts en centrumrechts – regeerden, bracht hen niet bij elkaar. Integendeel, ze mikten op hetzelfde kiespubliek en waren dus vijanden die kiezers van elkaar wilden afpakken. Ze wilden vooral zichzelf profileren en legden zich het meest van al toe op het zwartmaken van de coalitiepartners.

Van de weeromstuit was er voor normale bestuurs­dossiers geen oppositie meer. Die werd niet eens meer gehoord: ze werd overstemd door het coalitiegekibbel. Regeren zonder oppositie leidt naar ongecontroleerd en dus slecht bestuur. Dat was er bijvoorbeeld in begrotingsmateries. De manier waarop de begroting werd opgesteld, was even slecht als voordien. De cijfers van inkomsten en uitgaven werden niet – zoals in normale landen – vastgesteld door een neutrale administratie: ze kwamen voort uit onderhandelingen in de regering. Ambtenaren mochten zich niet bemoeien. De politici wisten alles beter. En de onderhandelingen over bezuinigingen en extra uitgaven verliepen zoals vanouds als in een soek: met loven en bieden, chanteren, verleiden, bedreigen, bedriegen en knoeien met de cijfers.

De vier partijen gingen onbeschroomd

door met politieke benoemeingen

De vier partijen spraken zich uit tegen politieke benoemingen maar gingen in deze regeerperiode zonder schroom door met de praktijk. Hervorming van het ambtenarenapparaat? Alle partijen vonden dat ooit dringend. Minister Steven Vandeput (N-VA) was bevoegd voor Ambtenarenzaken maar deed alles om te vermijden dat iemand dat zou ontdekken. Zijn technici mochten allerlei hervormingen uittekenen, de regering legde de meeste toch naast zich neer. De beslissingsklare dossiers verdwenen door de val van de regering in het niets. Geen partij gaf daarover een kik.

De ambtenarenpensioenen, daar is wel aan gesleuteld. Ze werden verlaagd, ook de lage ambtenarenpensioenen. De hoognodige samenhangende hervorming van het gehele kaduke pensioenstelsel was in geen velden of wegen te bekennen. Er kwamen alleen losse maatregelen die het gemiddelde pensioen dat in België al laag was, verder verlaagden. De verhoging van de pensioenleeftijd en van de loopbaanvoorwaarden den langer werken, leidden niet tot betere pensioenen of tot meer zekerheid, maar tot identieke of lagere pensioenen en grotere onzekerheid. Een ruime regeling voor de zogenaamd zware ambtenarenberoepen wekte dan weer de indruk dat tienduizenden mensen vroeger met pensioen zouden kunnen. Dat maakte de verwarring compleet.

 

De regering is fier dat het licht niet is

uitgegaan. Dat was te danken aan het weer.

Langetermijnbeleid? Het energiebeleid zou daarvan een voorbeeld moeten zijn. Vergeet het. Bijna alle kerncentrales liggen aan diggelen, maar er is geen probleem, zegt de regering, die nog niet weet of ze die gaat openhouden of niet. Niemand investeert intussen. De regering is fier dat het licht niet is uitgegaan, maar dat was te danken aan het weer. Intussen voeren we voor miljarden stroom in uit het buitenland. De prijzen zullen nog meer stijgen. De consument betaalt.

Het land kreunt onder onwerkbare taakverdelingen tussen federale staat en deelstaten, in de gezondheidszorg, het werk – en het verkeersbeleid, welzijn en justitie. Men zou op zijn minst afspraken kunnen maken over niet-communautair betwiste verbeteringen, maar zelfs dat is niet voorbereid. Men doet niets en laat die sectoren maar aanmodderen.

Ik had beter verwacht, maar heb me vergist.

De particratie is te sterk, zoals Marc Reynebeau hier schreef (DS 19 januari). Door de grote kabinetten – zo groot zijn ze nergens ter wereld – kunnen de partijen hier alles blijven domineren.

Er is ook geen enkele beperking op de machiavellistische wijze waarop die partijen macht uitoefenen, zoals Bart Brinckman schetste (DS 16 januari). Leugens en kiezersbedrog horen bij de ‘normale’ instrumenten van onze partijen.

Goede manieren, is dat te veel gevraagd?