Naar een grote coalitie, met nieuwe ingrediënten

GUY TEGENBOS

Lees deze column in De Standaard: http://www.standaard.be/cnt/dmf20190527_04431470

In Vlaanderen verliezen alle partijen die zich niet al te ver van het centrum bevinden: CD&V in de eerste plaats, de centrumlinkse SP.A, de centrumrechtse Open VLD en de rechtse of centrumrechtse grootste partij, de N-VA. Hun aanhang smelt even snel als de gletsjers dat doen door de opwarming van de aarde.

Winst is er nauwelijks voor Groen, tegen de verwachtingen in. De extreemlinkse PVDA zal voor het eerst zetels veroveren. De grootste winst is voor het extreemrechtse Vlaams Belang (dat zich, in navolging van zijn zusterpartijen in Europa, op sociaal-economisch vlak links tot extreemlinks voordoet). Centrumrechts, rechts en extreemrechts komen flink boven de 50 procent uit in Vlaanderen.

Tweelandenland

Ook in Wallonië en Brussel verliezen de centrumpartijen. Er is daar, als zowat de enige plekken in Europa, nog geen extreemrechtse partij. Daardoor komen alle protest- en angststemmen bij de extreemlinkse PVDA/PTB terecht. Centrumlinks, links en extreemlinks scoren flink meer dan 50 procent in Frans­talig België. Dit tweelandenland drijft daarmee politiek nog verder uiteen. Hoe daarmee te regeren valt de komende jaren, is niet duidelijk.


Wat verklaart het wegsmelten van het midden? Net als in 1991, toen er een eerste keer een radicale verschuiving naar (toen) het Vlaams Blok plaatsvond, haalden bij een deel van de kiezers boosheid, angst en teleurstelling de overhand. De reportage ‘Wat houdt de Vlaming bezig?’ capteerde dat goed (DS Weekblad 25 mei). De ‘migratie’ – wat dat begrip ook dekt – wordt als een bedreiging beschouwd.

Hoewel dit land nog nooit zo rijk was, boezemen de economische ontwikkelingen angst in en taant het geloof in de bescherming die is opgebouwd: ‘Wat is, wordt als vanzelfsprekend aangezien, wat niet is, is een grote schande’, zegt oud-minister-president Luc Van den Brande (CD&V). Boosheid is er over de slechte bestuursgewoonten en over het eindeloze politieke gekibbel van de afgelopen vijf jaar en van de verkiezingscampagne: de partijen waren meer bezig met elkaar zwart te maken dan met het algemene belang.

Voor de burger/kiezer is de vraag: wat gaat dit aan beleid opleveren? Wellicht wordt extreemrechts niet betrokken in de regeringen. Dan is wel een ‘grote coalitie’ nodig. De N-VA zal die regeringscoalities moeten trekken, ondanks haar verlies, want ze blijft veruit de grootste partij, Vlaams en federaal. Welke coalities de N-VA ook vormt, ze zal rekening moeten houden met een oppositie van Vlaams Belang. Die partij heeft de wind in de rug en gaat op sociaal-economisch vlak vaak samen met extreemlinks.

Minder kabinetten

De coalitiepartijen zullen moeten stoppen met kibbelen. Ze zullen eensgezindheid moeten tonen en niet als angsthazen uit elkaar stuiven wanneer de oppositie ‘schande!’ roept, zoals gebeurde met het rekeningrijden. Ze moeten duidelijke keuzes maken in de integratie­politiek. Geen straffe verklaringen, maar een verbindende politiek. Bart Somers (Open VLD) kan eventueel de kar trekken. Ze moeten luisteren naar de bedreigingen die mensen ervaren in de economische ontwikkelingen. De weg moet niet gezocht worden in oplossingen van het verleden, maar in de vlucht vooruit: hoe komen we weer vooraan in het peloton, waar we thuishoren? De technologie zal daarin een grote rol spelen.

De klimaatproblematiek moeten we niet aanpakken met het Belgische ‘We zullen wel zien’ en ‘Het zal zo’n vaart wel niet lopen’, maar met een drastische toekomstpolitiek waarover overeenstemming moet worden gezocht. Meer in het algemeen moeten politici leren een langetermijn­politiek te voeren, in plaats van te kibbelen over kortetermijningrepen. De jongeren verwachten dat. Er is veel beter bestuur nodig. Minder kabinetten, minder geld voor de partijen, meer geld voor wetenschappelijke beleidsondersteuning en -voorbereiding. Wat nodig is, is leiderschap. Figuren die als een ervaren gids de juiste lijn kunnen trekken.

Wat doet een burger in afwachting? Zich herinneren dat verkiezingen maar één deel zijn van de democratie. Na de verkiezingen hebben burgers vijf jaar het recht en de plicht om actief op te komen en te lobbyen, of desnoods te betogen, voor hun belangen en opvattingen, over het klimaat, over de samenlevingsproblemen, over hun angsten voor de economische ontwikkelingen.

Ze wachten het best niet tot de volgende verkiezingen om pas dan hun angsten, boosheid en teleurstellingen te uiten.