Van huisartsenpraktijk naar eerstelijnspraktijk

Column verschenen in “Huisarts NU”, nr. 4 van 2019

HET maakt wel degelijk uit welke coalities er aan de macht zijn en welke persoonlijkheden de federale en de Vlaamse portefeuille Volksgezondheid in handen hebben. Maar sommige evoluties komen tot stand, wie er ook aan de macht is. Die evoluties kunnen nog wel versneld, vertraagd, geïntensifieerd, afgezwakt of omgebogen worden door de politiek, maar dàt ze er komen, is al zéker.

In de Vlaamse huisartsenwereld zullen de komende jaren drie van die evoluties aan de orde zijn. 

Ze zijn deels het gevolg van beslissingen waaronder de hervorming die ingezet is door de eerstelijnsconferentie en het eerstelijnsdecreet van de Vlaamse overheid (die teruggaat op strijd die de Vlaamse huisartsen en hun politieke en maatschappelijke bondgenoten sinds de jaren ’90 van vorige eeuw voerden voor hun herwaardering).

DE eerste is dat huisartsenpraktijken eerstelijnspraktijken worden. 

De soloarts is al een tijd op de terugtocht. Daarna waren duo- en triopraktijken de norm. Vandaag gaan de aantallen huisartsen die samen een praktijk vormen, verder omhoog, en worden ook andere eerstelijnswerkers direct of indirect in die praktijken opgenomen. De praktijkverpleegkundige, de psycholoog, de kinesist, de logopedist, de diëtist, de diabetesbegeleider, enz. 

Die evolutie is onvermijdelijk geworden. De Kempische huisartsen die sterker dan elders al met tekorten worstelen, zien die aanpak intussen als de enige uitweg om hun werk nog georganiseerd te krijgen, zo bleek afgelopen maanden. Meerdere praktijken kiezen voor het forfaitair betalingsmodel.

DE tweede evolutie heeft daarmee te maken: de eerstelijnspraktijken die zo ontstaan, evolueren ook naar meer populatiegericht werken (zoals ook de CLB’s doen, zie elders in dit nummer). Die praktijken hebben een afgelijnd patiëntenbestand en kunnen daarvoor dan ook verantwoordelijkheid opnemen en verantwoordelijk gesteld worden. Ze zullen een grotere rol kunnen/moeten opnemen in de preventie en ze zullen vaccinatiegraad, kankerscreening, diabetesopsporing, rookstop, … voor hun rekening kunnen/moeten nemen. Ze zullen hun patiënten actiever benaderen, en niet enkel afwachten tot ze met een klacht komen. Dan krijgt het ook zin dat de overheid zichzelf gezondheidsdoelstellingen oplegt: dan is er tenminste iemand die deze doelstellingen kan realiseren. Dan wordt pay for quality ook mogelijk.

DE derde onvermijdbare evolutie heeft met dat vorige te maken: de evolutie van de klachtengeneeskunde naar de doelstellingen-gezondheidszorg. De huidige geneeskunde schiet in gang als een patiënt komt aankloppen met een klacht die in een medische diagnose kan vertaald worden. We evolueren – zeker voor chronische patiënten – naar een doelstellingen-gezondheidszorg: de patiënt legt in dialoog met zijn zorgverstrekkers vast in een zorgplan wat voor hem belangrijk is dat hij nog kan en dat plan is het uitgangspunt voor alle gezondheidswerkers.

Wanneer overtuigen de 

patiëntenorganisaties hun 

achterban van het belang

van deze evoluties?

DIE drie evoluties zullen het huisartsenbestaan grondig overhoop halen de komende jaren. Er zullen discussies losbarsten tussen voorlopers, volgers die de kat eerst uit de boom kijken, en achterblijvers die niet mee willen.

De vraag of die evoluties goed zijn voor de huisartsen, is van belang, maar slechts in tweede orde. De hoofdvraag is of dit alles in het belang is van de patiënt en of die dat ook zo ervaart. 

De vorming van eerstelijnspraktijken zal de patiënt wellicht zonder veel verzet ondergaan. 

De derde evolutie, naar doestellinggerichte zorg, zal door de meesten ook feitelijk geapprecieerd worden.

DE tweede evolutie, naar de actievere houding van de eerstelijnszorgers, is manifest in het belang van de patiënt; maar het zal door sommigen gesmaakt worden en anderen zullen het als ongewenste inmenging beschouwen. 

Traditioneel bekampen de artsen en het beleid elkaar met het argument dat zij het best weten wat goed is voor de patiënt. Dat levert alleen verwarring op.

ALS de patiëntenorganisaties (en de ziekenfondsen die ook de patiënten vertegenwoordigen) nu al nadrukkelijk standpunt zouden innemen over die evoluties en nu al zouden starten met het overtuigen van hun achterban, zouden we al een eind verder staan. 

Guy Tegenbos