Vierde keer goede keer voor het inclusief onderwijs?

Column ‘De Bomen en het Bos’, verschenen in De Standaard van 27 november 2019. Lees ze hieronder of in de krant zelf: https://www.standaard.be/cnt/dmf20191126_04739181

Het sibillijnse zinnetje uit het regeerakkoord – ‘Het M-decreet wordt afgeschaft en vervangen door een Begeleidingsdecreet’ –kan bij de helft van de onderwijswereld op gejuich rekenen. De andere helft is teleurgesteld. Het M-decreet regelde dat kinderen met een beperking naar het gewoon onderwijs konden. Het was al de derde poging om het gewoon en het buiten­gewoon onderwijs dichter bij elkaar te brengen.

Veel van de scholen voor buitengewoon onderwijs werden midden vorige eeuw opgericht door burgers die erg begaan waren met kinderen met een handicap. De scholen stonden los van het gewoon onderwijs en kregen van de overheid een financiering en een personeelsomkadering om u tegen te zeggen.

Van de Vlaamse kinderen gaat vandaag 5,2 procent naar zo’n school. Dat is een record. In Franstalig België en in Duitsland zijn er ook veel, respectievelijk 4,4 en 4,8 procent. In de meeste EU-landen gaat het om minder dan 2 procent. In Frankrijk, Noorwegen, Zweden, Portugal en Italië zelfs om minder dan 0,5 procent: tot twintigmaal minder dan in Vlaanderen. Vanwaar dat verschil?

Meer dan experimenteren met het

GON heeft Vlaanderen nooit gedaan.

Tot de jaren 80 werd Vlaanderen internationaal geprezen voor zijn aanpak met aparte scholen. In Europa was het de absolute koploper als het ging om zorg voor kinderen met een handicap. Maar stilaan bleek dat afzonderen niet ideaal is. Het laat toe de ‘verzorging’ goed uit te bouwen, maar leidt niet tot de integratie, inclusie en empowerment van die jongeren. Ze leven in een cocon. Ze worden ’s morgens afgehaald met de bus en ’s avonds laat weer afgezet, en hebben alleen contact met jongeren die ook een beperking hebben. Jongeren ‘zonder beperking’ leren hen niet kennen, en weten niet hoe ze met hen moeten omgaan.

Vanaf de jaren 90 werd de aparte aanpak internationaal beperkt en werden integratie en inclusie de norm.

Bij ons vonden ‘experimenten’ plaats met het GON, het geïntegreerd onderwijs: jongeren met een beperking kregen de kans naar een gewone school te gaan, met steun vanuit het buitengewoon onderwijs. Maar meer dan experimenteren heeft Vlaanderen nooit gedaan. De meeste betrokkenen wilden het systeem behouden.

De wet van Romein speelt hier

De ‘wet van de Romein’ speelt hier, de wet van de remmende voorsprong.

In landen die in een vorige fase vooropliepen, zoals Vlaanderen, slaat de vernieuwing – de inclusie – niet aan. Jongeren met een beperking kunnen het best naar aparte scholen, blijft hier het motto. In landen die weinig voorzieningen hadden, kwam inclusie sneller tot stand.

De afgelopen 20 jaar zijn er drie pogingen geweest om Vlaanderen toch de internationale weg te laten volgen.

Minister­ Marleen Vanderpoorten (Open VLD) deed een eerste poging om een aantal leerlingen met een beperking in het gewoon onderwijs te krijgen. ‘Maatwerk in samenspraak’, heette haar plan. Het botste op weerstand en raakte niet afgerond in haar regeertijd.

Haar opvolger, Frank Vandenbroucke (SP.A), ontwierp een nieuw ‘Leerzorg­kader’. Zijn ontwerpdecreet kreeg het fiat van de regering, maar raakte niet in het parlement: de ‘onderwijskoepels’ verzetten zich.

Opvolger Pascal Smet (SP.A) worstelde ook vier jaar en kreeg uiteindelijk een afgezwakt M-decreet goedgekeurd op het eind van zijn regeerperiode. De uitvoering moest zijn opvolgster, Hilde Crevits (CD&V), regelen. Die kon daarover met coalitiepartners Open VLD en N-VA een tijdelijk politiek akkoord bereiken.

De Vlaamse onderwijswereld blijft

even verdeeld over inclusie

als de Britten over de Brexit

Een deel van de onderwijswereld ging ermee aan de slag, de rest bleef zich verzetten. De nieuwe regering heeft zich achter het verzet geschaard en schoot het M-decreet af. De Vlaamse onderwijswereld blijft even verdeeld over de inclusie als de Britse samenleving over de Brexit. 

De voorstanders kregen vorige week weer hoop op een studiedag van het Interuniversitair Centrum voor Onderwijsrecht in Leuven. Juridisch is er geen andere weg dan inclusie: de verdragen van de VN en de regels van de EU laten Vlaanderen niet toe inclusie op het schap te zetten. Minister Ben Weyts (N-VA) moet met het Begeleidings­decreet een vierde poging doen om draagvlak te vinden voor inclusie.

Het buitengewoon onderwijs zal nooit verdwijnen, maar moet dichter bij het gewoon onderwijs worden gebracht en er moet een betere regeling komen om expertise van buitengewoon naar gewoon onderwijs over te dragen.

Dat kan niet zolang de scholen niet onder dezelfde ‘inrichtende machten’ vallen.

Het zal ook niet lukken zonder het werkveld zelf rechtstreeks te betrekken, zonder de lerarenopleiding te veranderen en zonder ál het personeel intens na te vormen. Zo’n grote navormings­operatie heeft hier nog nooit plaatsgevonden, want ook de training van het onderwijspersoneel is hier ondermaats ontwikkeld.