Iedereen 1.500 euro pensioen? Niet zonder brede hervorming!

Column De Bomen en het Bos, De Standaard, 4 maart 2020

Lees de tekst hieronder

of in de krant: https://www.standaard.be/cnt/dmf20200303_04874537

‘Wie met wie’ is de vraag die onze toppolitici nog een tijd zal bezighouden. Intussen kunnen de andere politici en de burgers zich buigen over belangrijke wat-vragen, zoals: wat te doen voor de beloofde 1.500 euro pensioen per maand?

Voor een federale regering zijn nog veel formules mogelijk. Onze toppolitici zoeken nog altijd een klassieke ‘ideologische’ regering: rechts (paars-geel), links (Vivaldi) of centrum (wat Koen Geens probeerde). Twee andere formules durven ze niet te bewandelen: de minderheidsregering zoals veel westerse landen die al kennen (DS 2 maart), en de voor de hand liggende federale ‘afspiegelings­regering’ met de meerderheden die regeren in Vlaanderen en Wallonië (op dit moment: de N-VA, CD&V, Open VLD en de PS, de MR en eventueel Ecolo).

Het kan nog een tijd duren. Welke formule het ook wordt, de nieuwe federale regering zal zich zéker moeten buigen over de hervorming van de pensioenen. Die heeft al een richting gekregen, omdat elf van de twaalf Belgische partijen vóór de verkiezingen een pensioen van minstens 1.500 euro per maand hebben beloofd. De twaalfde partij, de N-VA, ­beloofde een stapsgewijze verhoging van de minimum­pensioenen, in de richting van dat bedrag dus.

Die grote belofte was populistisch,

en bedrieglijk geformuleerd

Die grote beloften waren bedrieglijk geformuleerd en populistisch. De ene partij sprak over een netto­bedrag, de andere dacht in brutocijfers, en nog andere partijen rekenden de aanvullende pen­sioenen mee. De ene gaf het bedrag alleen aan wie 40 jaar gewerkt heeft, de andere aan wie 42 of 45 jaar op de teller heeft. Doorgaans bleven ze in de communicatie erg vaag. Maar de conclusie is: als iedereen zoiets belooft, kun je zo’n hervorming niet langer uitstellen.

De toekomstige regering kan handelen zoals veel van haar voorgangers: één stap zetten en de rest van het probleem aan de opvolgers laten. Als ze alleen de belofte van ‘minstens 1.500 euro voor iedereen’ doorvoert, maakt ze veel mensen een korte tijd gelukkig, maar haalt ze méér dan 3 miljard extra uit de schatkist – die al een gat van 12 miljard vertoont – en schept ze één zekerheid: dat het hele pensioenstelsel over enkele jaren failliet is. Dan is de politiek haar laatste greintje geloofwaardigheid kwijt.

Daarom moet er een brede en diepe hervorming komen. Een pensioenstelsel moet ‘leesbaar’ zijn, begrijpbaar, en dat is het nu zeker niet. Een minimum­bedrag van 1.500 euro is begrijpbaar: het ligt hoger dan het leefloon dat sommige immigranten krijgen en komt in de buurt van het bedrag dat nodig is om een woonzorgcentrum te betalen. Maar het moet betaalbaar zijn voor de gemeenschap. Dat kan over enkele jaren – tegen 2030 – het geval zijn, áls een nieuw evenwicht tussen inkomsten en uitgaven wordt gevonden.

De grove onrechtvaardigheden uit het stelsel moeten weg: het gebrek aan verschillen tussen wie langer en wie korter werkte, en de onverdedigbare reuzen­verschillen tussen ambtenaren en werknemers en zelfstandigen.

De regering-Michel had een uitstekend instrument gekregen om zo’n hervorming uit te werken: een advies van de academische pensioenraad, die de beste pensioenspecialisten van het land verenigde. Maar die regering dacht dat ze het beter wist, en deed wat ingrepen zonder overleg en zonder toekomstperspectief. Een schets ervan staat in een ook voor België leerzaam advies dat professor en voormalig minister van Pensioenen Frank Vandenbroucke (SP.A) onlangs schreef voor de Franse pensioenhervormers.

Niets belet het werk­loze federale parlement om, rechtstreeks of via de restregering van Sophie Wilmès (MR), aan die academische pensioenraad een nieuw advies te vragen, rekening houdend met de nieuwe gegevens en inzichten. Dat zal behoorlijk wat tijd vergen.

Laat de jongeren spreken

Het nieuwe systeem moet breed gedragen worden in het parlement, zodat een volgende regering de zaak niet meteen weer op z’n kop zet. Het parlement kan nu al werken aan die attitude. Maar ook in de samenleving is een draagvlak nodig. Daarin kunnen onder meer de ­sociale partners een rol spelen. Ze zijn medeverantwoordelijk voor een pen­sioenstelsel. De vorige regering deed niet eens moeite om hen te betrekken.

Ten slotte moet het parlement of de regering ook een burgerpanel van jongeren inschakelen. Wat verwachten zij van een pensioenstelsel? Wat kan hen voldoende perspectief en zekerheid bieden? Ze geloven niet dat er nog pensioengeld zal zijn wanneer zij met pensioen gaan. Dat is een fundamenteel probleem, mede omdat zij nog jaren moeten betalen voor de ouderen die het debat tot nu domineerden. Een pensioenstelsel is een contract tussen generaties. De jongeren hebben recht op een beter perspectief.