Het voordeel van de twijfel

Elke regering verdient een start met een wit blad. Guy Tegenbos geeft in een opiniestuk in De Standaard van 1 oktober 2020 aan Alexander De Croo enkele zware werk­punten mee.

 

Meer dan 480 dagen hebben onze versplinterde partijen zich uitgeput om elkaar de duvel aan te doen, daarna klaarde de hemel op. Gisteren vielen zeven partijen – zoveel zijn er nodig om een meerderheid te vormen – elkaar in de armen. Plots prezen ze elkaars leiders, die ze de vorige 480 dagen de grond hadden ingeboord.

Het is de coalitie geworden die Elio Di Rupo (PS) al één dag na de verkiezingen vroeg. Niet de coalitie die in de lijn lag van het Vlaamse politieke landschap na de verkiezingen, niet de ‘regering van nationale eenheid’ met de twee grootste partijen van beide zijden van de taalgrens, maar wel de afspiegeling van de Waalse regering: paars-groen, aangevuld met een streepje Vlaams oranje. Open VLD, die de doorbraak mogelijk maakte, is beloond met het premierschap.

Die vaststellingen mogen de vreugde over het feit dat we eindelijk een federale regering hebben, niet bederven. Het is overigens niet bijna 500, maar al 660 dagen geleden, van 8 december 2018 – toen de N-VA opstapte wegens ‘Marrakech’ – dat we nog een volwaardige regering hadden die fatsoenlijk kon beslissen. En, eerlijk gezegd, niemand kan beweren dat de kibbelregering van Charles Michel (MR) een toonbeeld was van efficiënt en kracht­dadig beleid.Minimumpensioen van 1.500 euro per maand? Dat zal het vertrouwen van Conner Rousseaus leeftijdsgenoten niet herstellen: ze geloven niet dat er later nog geld voor hen zal zijn

Voor elk wat wils

Laten we niet zeuren over wat was, maar kijken naar wat komen kan. Elke nieuwe regering moet de kans krijgen zonder vooroordelen te vertrekken. Het gebeurt dat coalities zichzelf overstijgen en beter presteren dan verwacht.

De verdeeldheid van de regering-Michel lag onder meer aan het feit dat ze samengesteld was uit partijen die dicht bij elkaar lagen: ze maakten elkaar zwart omdat ze op hetzelfde kiespubliek mikten. Aan dat euvel lijdt de regering-De Croo wellicht niet: de zeven partijen lijken erg ver van elkaar te liggen. In het regeerakkoord is er, zoals ik hier eerder heb voorspeld (DS 10 september), voor elk wat wils: elke partij kan bij haar achterban scoren met symbooldossiers. Dat ze elkaar iets gunnen, doet hopen op een regering die niet vanaf dag één verdeeld is. Elke nieuwe regering verdient een start met een wit blad. Het is wel belangrijk om haar zwakheden in kaart te brengen.

Oma Rousseau

De trofeeën die de zeven partijen elkaar gunnen, zijn vaak mooie beslissingen die een draagvlak hebben bij de bevolking. Geen nieuwe belastingen, bijvoorbeeld, en een minimumpensioen van 1.500 euro per maand. Met dat laatste is de oma van Conner Rousseau (SP.A) blij, toch als ze 45 jaar gewerkt heeft. Maar het is niet de grote pensioenhervorming die Frank Vandenbroucke ooit uittekende en die absoluut nodig is. Deze beslissing zal ook het vertrouwen van de leeftijdsgenoten van Rousseau niet herstellen. Driekwart van hen zegt niet meer te geloven dat er nog geld zal zijn als zij aan de beurt zijn.

Naar de gezondheidszorg zal meer geld gaan, maar dat houdt nog geen grotere overdracht van bevoegd­heden naar de deelstaten in, en geen betere ziekenhuisnetwerken. Het laat ook de miljardenstroom naar de eigenaars van klinische labs ongemoeid als die hun goudmijntje verkopen aan het buitenland.

Die trofeeën garanderen dus niet dat we de diepgaande hervormingen krijgen die dit land zo nodig heeft. Bovendien staan er tegenover alle nieuwe uitgaven – hoe wenselijk ze ook zijn – geen schrappingen van overbodige uitgaven en geen nieuwe inkomsten. Bijgevolg zal onze openbare schuld verder toenemen. Dat mag in crisistijden, luidt het. Ja, voor een­malige uitgaven, niet voor blijvende. 

Door al die extra uitgaven schiet er amper 1 miljard euro over voor investeringen die de economische groei en onze productiviteit moeten aanzwengelen.

Trump-Biden-scheldpartijen

Professor Gert Peersman heeft in zijn column overtuigend de ‘schuifaf’ geschetst waarop ons land zich bevindt (DS 29 september). In de jaren tachtig had België zowat de hoogste productiviteit ter wereld. Decennialang hebben we onze publieke investeringen verwaarloosd om onze dagelijkse overheidsuitgaven te verhogen. Onze productiviteit smolt weg, terwijl die van onze buurlanden en van de opkomende landen bleef groeien. Ze steken ons voorbij en zo glijdt ons land jaar na jaar verder weg.

Maar, ik herhaal: negativisme is uit den boze. Een nieuwe regering verdient het voordeel van de twijfel, maar ze krijgt drie werkpunten mee. Grondige hervormingen doorvoeren, de schuld niet verder doen toenemen en vooral investeren, om onze productiviteit weer op te krikken.

Als onze politici intussen ophouden met al het lelijks dat ze elkaar de afgelopen jaren aandeden, en Trump-Biden-scheldpartijen achterwege laten, maken we ook al vooruitgang. Dan glijden we misschien nog altijd verder achteruit, maar op een fatsoenlijke manier.

Verschenen in De Standaard van 1 oktober 2020 https://www.standaard.be/cnt/dmf20200930_97908852