Ontwenningskuur voor politieke partijen

Deze Column ‘De Bomen en het Bos’ verscheen in

De Standaard van 25 februari 2021. Lees ze in de krant: https://www.standaard.be/cnt/dmf20210224_98017637

Nog iets gehoord over de partijfinanciering? Eén week was de hervorming ervan een hot topic. Een weekend later en geen hond spreekt er nog over. Het was de zoveelste poli­tieke steekvlam. Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert zei er in De afspraak op vrijdag interessante dingen over, die de betalingen van zijn partij aan Sihame El Kaouakibi in de schaduw stelden. Misschien meende hij die verklaringen, maar we horen er niets meer over.

Alle partijen wéten dat de ­finan­ciering schandalig is en dat ze die vroeg of later moeten terugschroeven. Maar ze veranderen die niet als het niet echt moet. Ze zijn verslaafd aan het vele geld. Verslaafden formuleren weleens goede voornemens, maar zonder crisis of dwang beginnen ze niet aan een ontwenningskuur, en als ze geen sterke begeleiding en geen perspectief hebben, hervallen ze snel.

We kunnen iets leren uit de vorige hervorming van de partijfinanciering, in 1989. Toen was er een ernstige politieke crisis nodig, die er mede kwam door verschillende corruptieschandalen – de ergste ervan, Agusta (geld voor partijen in ruil voor de bestelling van legerhelikopters) raakte maar later bekend.

Alle partijen weten dat de

partij­financiering schandalig is,

maar ze zijn verslaafd aan het geld

Pas op dat moment zagen de partijen in dat de occulte financiering door bedrijven die van de overheid leefden, niet houdbaar was. Begeleiding en perspectief kregen ze van Luc Dhoore, de christendemocratische oud-minister die eerder deze maand overleed. Die bood hen een wet aan met een fatsoenlijke financiering door de overheid, met een zware beperking van de giften van burgers en bedrijven, een beperking van de verkiezings­uitgaven én met een open boek­houding. Dat gaf de partijen een nieuw perspectief.

Helaas, het systeem verloederde. De traditionele partijen lieten de totaal­bedragen oplopen naarmate nieuwe partijen aan de haal gingen met almaar meer van hun stemmen en verkozenen, en dus ook met hun partijfinanciën. Ze verhoogden het totale budget om zelf evenveel geld over te houden als vroeger. De nieuwe partijen, Vlaams Belang en later de N-VA en PVDA, profiteerden van het manna en zwegen.

Ook de reusachtige kabinetten die de regeringspartijen zichzelf geven, vormen een indecente geldstroom. In de federale regering gaat het om 838 kabinetsleden. De Vlaamse regering heeft er 300, de andere deel­staten hebben samen een veelvoud daarvan. Dat we veel ministers hebben in dit land, is niet zo erg, wel dat die busladingen partijmedewerkers hebben. Ook dat is een verslaving. In alle andere landen ter wereld zijn minis­ters in staat om te regeren met hun administratie, zonder een hofhouding van partijmedewerkers.

In de jaren negentig zijn de kabinetten gekrompen, onder druk van de media en de publieke opinie. Aanvankelijk alleen in deelstaat Vlaanderen, later ook elders een beetje. In 2000 voerde minister Luc Van den Bossche (SP.A) een halvering van de federale kabinetten door, en werd de helft van de jobs overgeheveld naar neutrale beleidscellen in de departementen. Helaas, het was een ‘Vlaamse’ hervorming; de zuidkant van het land was niet mee en boog in de volgende federale regering de beslissing weer om. De Vlaamse partijen gingen­ graag mee.

Hoe dit keer veranderen? Voor de partijfinanciering baseren de federale staat en deelstaten zich het best op het model dat Europa hanteert. Een deel van het geld gaat naar de partijen voor hun werking. Het andere deel gaat naar de parlementsleden voor de aanwerving van inhoudelijke medewerkers. Niet voor dienstbetoon of voor verkiezingscampagnes. De controle op beide geldstromen is er niet in handen van de partijen zelf, zoals bij ons, maar stoelt op exter­ne audits. Met zo’n systeem zou het budget van de partijen flink dalen. Hun parlementsleden en de parlementen zouden eindelijk extra punch en macht krijgen, zoals het hoort.

De afbouw van de kabinetten moet in stappen gebeuren. Elke­ nieuwe regering start met kabinetten die een kwart kleiner zijn, en op het eind van elke regeerperiode wordt een extra 10 procent gekort. Tegen 2035 resten er federaal nog 250 cabinetards, en Vlaams nog 100. Dat is nog altijd veel, maar niet meer schandalig veel. Het bespaarde geld gaat naar neutrale, beleidsvoorbereidende cellen in de administraties. Dat geeft perspectief.

Degenen die winnen bij het nieuwe systeem moeten die overgang, die ontwenningskuur begeleiden. Dat zijn in de eerste plaats de federale en deelstaatparlementsleden, die eindelijk de mankracht zullen krijgen om stevig parlementair werk te leveren. Enkele parlementsleden – Luc Dhoore indachtig – zullen daarvoor moeten opstaan. In de tweede plaats zijn het de admi­nistraties, die hun beleidsrol opnieuw zullen kunnen opnemen. De colleges van topambtenaren zullen hun borst nat moeten maken.

Dan is het alleen nog wachten op een politieke crisis. Of kunnen parlementsleden dit proces zonder schandaal of crisis op gang brengen?

Deze Column ‘De Bomen en het Bos’ verscheen in De Standaard van 25 februari 2021. Lees ze in de krant: https://www.standaard.be/cnt/dmf20210224_98017637