Hardnekkig, vervelend, maar grondig

HET TEGENGAS NA TEGENBOS

Zes jaar geleden intussen…

In zijn toespraak bij het afscheid van journalist Guy Tegenbos eind april 2015, zegde Frank Vandenbroucke, naar Antonius’ beroemde rede in Shakespeare’s ‘Julius Caesar’, dat hij niet gekomen was om Tegenbos te prijzen, maar om hem te begraven. Hij deed dat middels een pertinente vraag: wat is de rol van de journalist?

Lees de tekst in originele vorm in de krant van 2 mei 2015

https://www.standaard.be/cnt/dmf20150501_01659372

of lees de tekst hieronder:



‘Journalisten moeten meer gespecialiseerd zijn dan politici, zo niet kunnen ze geen werkwerk bieden.’
‘Journalisten moeten meer gespecialiseerd zijn dan politici, zo niet kunnen ze geen werkwerk bieden.’ Pieter-Jan Vanstockstraeten/pn

Wie? Frank Vandenbroucke, (toen) hoogleraar (KU Leuven).

Wat? Een journalist moet een luis in de pels zijn, maar het komt hem ook toe bestuur te openbaren en bekende analyses nieuw leven in te blazen.

Wat verwachten we van een journalist? Ik beantwoord de vraag met een omweg. Een levende democratie heeft behalve mondige kiezers en een georganiseerd middenveld behoefte aan het samenspel van vier soorten mensen: politici, ambtenaren, academici en journalisten. Politici nemen beslissingen en zijn daarvoor verantwoordelijk. Ambtenaren bereiden beslissingen voor en voeren ze uit. Academici produceren kennis die aan specifieke standaarden beantwoordt. Journalisten informeren over politiek en wetenschap, maar doen veel meer: ze voeden ook het debat en creëren daarbij ook een vorm van kennis, wat op zijn beurt een specifieke verantwoordelijkheid meebrengt.

Politiek, ambtelijk werk, wetenschap en journalistiek spreken in vier verschillende registers. Om het samenspel goed te hebben, moet je ze vooral goed uit elkaar houden. Het samenspel mag ook geen samenzwering zijn. Een zekere afstandelijkheid tussen politici en journalisten is nodig. Wederzijds respect en een stevig netwerk zijn essentieel, maar een netwerk is niet hetzelfde als camaraderie.

Onzekerheid en uitstel

Het verschil in register is het duidelijkst bij politici en academici. Politici moeten vaak beslissingen nemen in onzekerheid. Sommige beslissingen dulden geen uitstel, zelfs al zou dat tot grotere zekerheid kunnen leiden. Academici daarentegen hebben niet alleen het recht op uitstel, ze zijn daartoe verplicht tot ze zeker zijn.

Politici moeten breed zijn: ze kunnen zich specialiseren, maar hun verantwoordelijkheid kunnen ze niet beperken tot hun eigen specialisme. Als mijn fractie een beleid steunt inzake ruimtelijke ordening, kan ik niet zeggen dat ik niet verantwoordelijk ben omdat het mijn specialiteit niet is. Academici moeten zich specialiseren. Dat betekent dat ze veel moeten zwijgen. Met het onderschrift ‘hoogleraar’ over kwesties buiten hun eigen specialisme voortdurend meningen te ventileren, doet hen geen goed. Politici kunnen wel bedenktijd vragen voor ze een mening geven, maar omdat ze de samenleving besturen worden ze verondersteld zich over vele kwesties uit te laten.

Politici moeten ten slotte betrokkenheid organiseren. Ze moeten zich afvragen of en hoe hun mening overkomt. Dat ze daarbij vereenvoudigen en emotionele argumenten inroepen, mogen we hen niet kwalijk nemen, integendeel. Academici mogen de complexiteit en de nuance van het wetenschappelijke debat niet opofferen aan de wens om door iedereen beluisterd te worden: die verzuchting komt pas op de tweede plaats.

Tussen academicus en politicus?

Je zou kunnen zeggen dat goede journalistiek in een democratie het midden houdt tussen de rol van de academicus en die van de politicus. De journalist kan berichtgeving uitstellen, omdat hij ze al te onzeker vindt, maar dat kan en mag niet altijd. Soms moet een bericht gebracht worden met de boodschap dat het onzeker is, de bron ervan moet duidelijk zijn. Dat voedt dan het debat. De journalist kan zich specialiseren, maar niet op dezelfde manier als de wetenschapper. Het is wel nodig dat voldoende journalisten méér gespecialiseerd zijn dan de politici. Zo niet kunnen ze geen inhoudelijk weerwerk bieden aan politici. Dat is een punt van zorg: uitgevers en redacties moeten specialisatie blijven mogelijk maken.

Toch doen we de journalist onrecht aan als we hem zien als iemand die louter het midden moet houden tussen de twee rollen die ik juist schetste. Goede journalistiek ontwikkelt in een democratie een eigen, evenwaardig, maar verschillend register. Hoe maakt de journalist het verschil?

1. Een journalist kan de openbaarheid van bestuur effectief organiseren. In alle eerlijkheid: De Standaard heeft me destijds, als minister van Onderwijs, moeten overtuigen om de inspectieverslagen van scholen openbaar te maken. Na lange onderhandelingen zijn we het eens geworden over een format waarvan iedereen beter is geworden. Het Ziekenhuisrapport dat de krant publiceerde in 2012, en dat op die traditie voortbouwde, was een puike vorm van journalistiek en, daardoor, van maatschappelijke dienstverlening.

2. Een journalist kan vragen stellen waarop het antwoord niet eenvoudig is. Een moeilijke vraag is bijvoorbeeld wat het becijferde effect is van een verkiezingsprogramma. Zowel politici als academici zullen aan journalisten uitleggen dat het héél lastig is om verkiezingsprogramma’s door te rekenen. Juist. Maar dat De StandaardDe Tijd en de VRT in 2014 met academische steun de becijfering uiteindelijk gepubliceerd hebben, was maatschappelijk uitermate nuttig. Dat partijen voorstellen bijgesteld hebben tijdens de oefening, illustreert dit. Dat er nu een officiële opvolging komt van die aanpak, ook. Vervelende vragen stellen waarvan je het antwoord zelf niet kent, is het voorrecht en de plicht van de journalist.

3. Een journalist kan steeds opnieuw vaststellen dat bepaalde maatschappelijke problemen niet opgelost raken. Herhaling is daarbij een plicht. Tot in den treure schreef Guy Tegenbos dat het verschil tussen arbeiders en bedienden uit de tijd was. Zonder dat voortdurende geklop op de nagel, zou hij er nu nog onaangeroerd staan. De vaststelling dat ons onderwijs een waterval kent – hoe controversieel en moeilijk ook om daar beleidsconclusies uit te trekken – vormt een andere illustratie van gezonde, ‘journalistieke hardnekkigheid’.

4. Een journalist kan vlees en bloed geven aan de analyse die beluisterd moet worden. Een mooi voorbeeld is de reeks die de krant maakte in 2012, DS zoekt werk, voor personen met een handicap en de opvolging in de maanden nadien. Welke problemen ondervonden ze, wat maakten ze allemaal mee, en wat was het uiteindelijke resultaat? Een ander voorbeeld waren de reeksen Diversiteit op de werkvloer uit 2006 en 2013. Bij de 25 grootste werkgevers van ons land werd nagegaan hoeveel allochtonen en 50-plussers en personen met een beperking ze telden in hun personeelskorps. Dat blies vele droge analyses nieuw leven in.

Wanneer wordt hardnekkige journalistiek niet drammerig? Als hij gebaseerd is op grondige kennis. Dat is de journalistiek die nodig is. Daarin moeten uitgevers blijven investeren.